Mythische beelden uit het imperialisme

Posted on 17 februari 2011

0


Het verhaal van de ‘gewone mens’ moet een tegenwicht bieden aan de officiële geschiedschrijving. Schrijvers beheersen de kunst om zich in te leven in een personage uit een vervlogen tijd. 
Mijn masterscriptie ‘Het imperialisme, een mythe?’ belicht de herinnering aan de Nederlands-Indische koloniale tijd.

Hoe verhoudt de officiële geschiedschrijving zich tot het verhaal van de burger? Er zit een interessant spanningsveld tussen de culturele herinnering en de daadwerkelijke geschiedenis van Nederlands-Indië. Een frictie die overal terug te vinden is in de geschiedenis wanneer je journalistieke artikelen en geschiedenisboeken naast romans legt. Maar dat maakt de zaak niet minder interessant! Ik stuitte op een mythe. Niet alleen waren er verborgen feiten, maar er was sprake van een mythisch beeld.

Onverbloemd racisme
Een onbekende autobiografie neemt ons mee naar het de oostkust van Sumatra in de beginjaren van de twintigste eeuw. Vanuit Medan, nu de derde stad van Indonesië, trokken Europese planters het land van Deli in. Zij namen land over van de Christelijke Batakbevolking en werden er talloze rubber- en koffiemaatschappijen geboren. Vanuit Nederland trokken er, na afschaf van het cultuurstelsel in 1870, planters heen, maar ook talloze werkloze mannen die als assistenten werk gingen zoeken op één van de plantages. Dit is de herinnering die Apie Prins met ons deelt wanneer hij in de jaren vijftig neerpent hoe hij als twintigjarige, als ‘gesjeesde student’ aan de slag gaat op een Amerikaanse rubberplantage. Prins was een van de vele radertjes in de kapitalistische wereld die ontstond, maar ondanks zijn lage rang steeds superieur aan de Chinees en Javaan op de plantage. Zijn perspectief geeft vooral inzicht in de eenzame en surrealistische wereld waarin de assistent zich begaf. Vanuit zijn hutje moest hij orde brengen onder de Chinese en Javaanse werknemers op het land. Waar hij alleen stond, vormden zij een gemeenschap waarvan we niet veel leren via het boek met de titel Ik ga mijn eige baan. Wel is het een bijzonder document door het onverbloemde racisme. Apie vertelt over het werk:

“Geluierd werd er niet. Elke dag tien uur lopen in de kebon in de brandende zon. En de koelies tien uur werken in de brandende zon. Maar dat waren koelies. (…) Als ze even stil stonden om adem te scheppen of zich met hun lendendoekje het zweet af te wissen, brulde je: ‘Koek tjsiem, loe’ (diep slaan jij). En als dat niet hielp: ‘Pfoe nea boh!’ of ‘Pfoe nea ma’. Naai je moeder. Of anak soendel (hoerenkind), of babi, binatang, monjet, andjing (resp. varken, beest, aap, hond). Poekima sorong (hoer) of bangsat (schoft) waren ook doeltreffende epitheta.” (Prins, 1958, p. 228)

Het is des de interessanter wanneer we weten dat er een kentering in de historie gaande was. Binnen de koloniale regering ontstonden er langzaam vraagtekens over de omgang met de Aziatische bevolking. Apie: “Alle Chinezen en Javanen waren contractkoelies en voordat de Arbeidsinspectie ingesteld werd kon je je vrijwel alles tegenover hen permitteren. Als ze wegliepen werden ze door inlandse politie teruggehaald en moesten ze een poosje aan de openbare weg werken. Het was nog de goeie ouwe tijd van de Poenale Sanctie, toen de koelies gedwongen konden worden te werken… en anders!” (Prins, 1958, p. 228)

Naar mijn idee een sprekend voorbeeld waarmee we het verhaal over de mythe van Nederlands-Indië kunnen inleiden. Apie Prins geeft ons een kostbare, weinig onthulde historie. De autobiografie is een manier waarop we ‘het verhaal van de burger’ leren kennen. Wie kent de geschiedenis van het koelieschandaal? Het leven op de plantages in Deli (Sumatra) tijdens de hoogtijdagen van de koloniale geschiedenis blijft naar mijn idee onderbelicht in de herinnering die Nederlanders hebben aan Nederlands-Indië. Zo nu en dan laait er een discussie op over de Nederlandse invloed over de slavenhandel. Was ons land schuldig aan het handelen in mensen? Het debat kent nog hevige emoties. Maar hoe zit het met het koelieschandaal? Een term, die veel minder bekend is dan het woord slavenhandel, maar wel belangrijk voor de Nederlandse geschiedenis.

Pijnlijke herinnering
Apie Prins schrijft eerlijk op hoe hij als Europeaan de koelies, medewerkers van de plantage, als onmensen beschouwt. Dit komt omdat hij als autobiograaf het belevend ik en het vertellend ik met elkaar in discussie laat komen. De ideologie van de jonge Apie die op de plantages werkt wijkt ideologisch af van de oudere Apie die terugblikt. We hebben hier deels te maken met een verborgen geschiedenis. Socioloog Jan Breman duidt dit aan met witte plekken op ons geheugen. Want wat is het geval? In eerste instantie realiseerde Prins niet wat hij deed. Hij vond het normaal koelies te mishandelen, hij had last van de tropenkolder en haalde de raarste streken bij de koelies uit. De verteller keurt dit later af door zijn jonge personage als ‘verwanten, pedant, arrogant jongmens van een jaar of twintig’ neer te zetten. Prins ging mee in de normen die er heersten in Deli. Maar wat vooral bijzonder is, het boek bevat een moment van bezinning. Een moment waarop Prins anders tegen de werkelijkheid aankijkt en afstapt van de normen op de plantage.

Ik schaamde me – voor het eerste – over het minderwaardige van mijn houding tegenover de ‘koelies’. Ik dacht aan het: koek tsjiem loe! Dat ik tegen de in de tropische hitte zwoegende koelies brulde, ook als ze hard werkten en diep sloegen. En aan alle andere walgelijke dingen die ik in Indië uitgehaald had. Al die jaren. Ik had ze voor andjing (hond), binatang (beest), bangsat (schoft), stinker uitgemaakt. Ik had ze nooit als mensen beschouwd, hoogstens als lastdieren of als werktuigen, machines. (Prins, 1958, p. 341)

Dit moment vond plaats tijdens zijn overtocht van Sumatra naar de Verenigde Staten. Hij wekte de woede van een Amerikaan wanneer hij trots vertelt aan andere passagiers dat Chinezen honden en apen waren. Hij houdt dus geen witte plekken plekken op zijn geheugen, maar volgens Breman ontstaan deze vaak bij pijnlijke herinneringen als deze. Gezien de uniekheid van de autobiografie van Prins is dit misschien waar. Was er sprake van een mythe?

Verborgen geschiedenis
Een mythe kan inderdaad voor een vergeten geschiedenis staan. Het kan in dit geval om een traumatische ervaring gaan die vergeten wordt. Maar de derde betekenis is dat de inhoud van de herinnering, of het object los raakt van de vorm. In dit geval de betekenis die er aan een koelie wordt gegeven door Prins. Op het moment dat de man zich op de plantages bevindt ziet hij deze koelie niet als mens, eerder een werktuig of machine, naar zijn letterlijke bewoordingen. “Het is net of het beeld natuurlijk tot het concept leidt, alsof de betekenaar de basis legde voor de betekenis (Barthes,1975, p. 293).” Een object zelf is niet mythisch, maar zodra er over geschreven of over gesproken wordt, dan wordt er iets gecreëerd wat los kan staan van de werkelijkheid. En als er werkelijk mythen ontstaan, komt de inhoud steeds verder van de vorm te staan. De betekenis van onderstaande foto illustreert dit.

De foto laat een aantal mannen zien in Atjehse kledij. Het zijn de dorpshoofden die zich onderwerpen aan het Nederlandse gezag. Ze bieden het huldeblijk aan; bestaande uit een buffel, suikerriet en kokosnoten. In 1940 geeft de historicus Stapel betekenis aan deze plaat. Hij omschrijft het als een overwinning van het Nederlandse leger. Nederland, het beschaafde volk, is superieur. De mannen zijn immers beter af onder het koloniale gezag. De foto beeldt daarom de grootheid van het Nederlands imperialisme uit. Nederland heeft gewonnen en het volk biedt daarna ook nog eens hun meest kostbare bezit aan: een buffel.

Wat zou er door de hoofden van de mannen heen gegaan zijn toen zij voor deze foto poseerden? Het is inderdaad opvallend dat zij loyaal waren aan het bestuur. Maar op deze foto lijkt het aannemelijk dat zij geen andere keus hadden. Ze werden onderdrukt door het Nederlands-Indische leger en moesten ook nog een kostbare buffel afstaan. Het moet een traumatische ervaring geweest zijn voor deze hoofden. Het verlies van een oorlog, maar tevens het verlies van hun land, hun zelfstandigheid en identiteit. Deze betekenis, die los komt van het imperialisme, kan gereconstrueerd worden door geschiedenisboeken die na de dekolonisatie zijn verschenen. Schrijvers die zich losmaakten van het trauma van een verloren identiteit.

Modern imperialisme
Het koelieschandaal, maar ook de Atjeh-oorlog spelen zich in een specifieke tijd af van de koloniale periode van Nederlands-Indische; die van de moderne imperialistische fase. Nederland deed niet mee aan de mondiale ontwikkeling van het moderne imperialisme, stelt historicus Wesseling. Nederland was niet bezig met ‘veroveren’, maar breidde haar gezag in Indië zelf uit. Wesseling (2003) omschrijft in deze imperialistische fase drie processen van belang. De eerste is “de versnelde en met kracht uitgevoerde territoriale afronding van Nederlands-Indië.” Vervolgens was er sprake van “uitbreiding en versterking van het koloniale bestuur.” En tot slot “de introductie van het moderne kapitalisme in de archipel.” Uit de afbeelding die zojuist besproken werd, bleek dat de eerste betekenis, de betekenis die los raakte van de vorm, voor het imperialisme stond. Het imperialisme kan in deze zin als de betekenaar gezien worden in het mythische proces dat Barthes voor ogen had.

Is de mythe niet kenmerkend voor de geschiedenis? Met andere woorden: zijn er niet altijd mythen terug te vinden in de geschiedenis en behoort het ontmythologiseren tot de taak der historici? Deze vraag kan bevestigend beantwoord worden, maar aan de andere kant is het imperialisme wel een fase waar extra aandacht aan besteed mag worden. Deels omdat we te maken hebben met een vergeten geschiedenis en deels omdat de mythe kenmerkend is voor het kolonialisme. Het definiëren van een nieuwe cultuur was noodzakelijk voor het voortbestaan van dit kolonialisme (Dirks, 1992, p. 58). Nederlands-Indië werd als land gecreëerd, voordat de Nederlanders er waren was het immers geen land, met mythische verhalen. Mythisch omdat er verhalen werden verteld om de kolonisatie normaal te vinden. De Javaan werd gecreëerd naar Westerse begrippen. Barthes spreekt over verschillende soorten in de mythische betekenaar waaronder die van identificatie. Deze heeft met het creëren van de Ander te maken omdat hij zegt dat de mens niet in staat is de Ander voor te stellen. Dat was ten tijde van het kolonialisme zeker het geval. De Javaan of Chinees week in zoverre af van de Europeaan dat deze verklaard moest worden in termen van exotisme. De Ander is daarmee geen spiegel in de kleinburgerlijke wereld, maar een schouwspel. Doordat de Ander hiermee buiten de grenzen van het menselijke wordt gebracht, brengt hij het huiselijke gevoel van veiligheid niet meer in gevaar (Barthes, 1975).

Emotioneel debat
Via het perspectief van Prins herkennen we deze kleinburgerlijkheid. Zijn herinnering – aan een tijd die dicht bij het slavernijverleden ligt – vormt een zeer interessant item uit de imperialistische geschiedenis. De reden hiervoor is de emotie waartoe dit onderwerp leidde, niet eens lang geleden. Eind jaren tachtig schreef de socioloog Jan Breman een boek over het werken op de plantages van Deli. Hij belichtte de omgang tussen koelie en planter en beschreef de communicatie op de plantage. Ook voegde hij twee belangrijke documenten toe aan zijn publicatie: De miljoenen uit Deli en het Rhemrev-rapport. Het zijn de rapportages die de schandalen openbaar maakten. De eerste in de vorm van een brochure. De advocaat Johannes van den Brand was de aanstichter van rumoer, eerst in Deli, later in Batavia, maar ook in Nederland las men over mishandelingen en het onrecht wat de koelie werd aangedaan. Het gouvernement in Batavia moest wel actie ondernemen en gaf de officier van justitie Rhemrev opdracht om de plantages stelselmatig te onderzoeken en een juridisch rapport uit te brengen. Dit laatste rapport was erg pijnlijk, het bevatte de bewijzen van een wereld waarin Europeanen zich misdroegen tegen mensen die zij als minderwaardig achtten. Om een voorbeeld te noemen: “‘Het slaan met de hand of met den stok’ werd veel geconstateerd. “(…) doch ondervinding heeft mij geleerd, dat maar al te dikwijls deze uitdrukking gebezigd werden, waar het woord “ranselen” beter op zijn plaats zou zijn geweest (Rhemrev, 1903, p. 375).” Het rapport kwam uiteindelijk bij de minister van Koloniën in Den Haag terecht, maar leidde toen niet tot onrust. Deze meneer Idenburg schreef met potlood op de kaft ‘een treurige geschiedenis van lijden en onrecht’;  waarna hij het onderzoek in de la schoof. Breman vond het rapport terug, een rapport waar andere onderzoekers ook naar op zoek waren. Een discussie laaide op waarna de socioloog met historicus Cees Fasseur in debat kwam. Deze laatste probeert de ophef rond het omstreden rapport te temperen. Hoezo doofpot? Hij had immers het rapport in de jaren zestig al eens in handen. Maar besloot er niets mee te doen. Omstreden of niet, het rapport kent weinig bekendheid. Niet veel geschiedenisboeken over Nederlands-Indië vertellen over Rhemrev en zijn onderzoek. Of bevatten het woord koelieschandaal. Nadat ik opnieuw het rapport bekijk, moet ik concluderen dat het erg bijzonder is. Rhemrev is een figuur die, in tegenstelling tot Van den Brand, buiten de mythe van het imperialisme trad. Van den Brand was weliswaar een rebel, hij springt in de bres voor de koelie. Hij klaagt de planters alle normen van het Christelijke geloof aan hun laars lappen. De onfatsoenlijkheid die er heerst, heeft Van den Brand merkbaar geraakt en hij schrijft zijn bevindingen in een brochure. Maar, dat wil niet zeggen dat hij geen mythisch beeld schetst. Dat is te merken aan zijn blik op de koelie. Lees zijn volgende citaat: “Want wanneer den eenen mensch over den anderen, al sta de laatste nog zooveel lager in beschaving, meer macht is gegeven, dan hem volgens Gods ordinantiën ooit mag toekomen, dan zal deze toestand niet alleen het gemoed van den onderworpene verbitteren en de ondeugd der kruiperij welig doen tieren in zijne ziel, doch zal ook de meester den ontzedelijken invloed ondervinden.” De advocaat bevestigt in bovenstaand citaat eigenlijk dat een koelie lager in de ladder van de beschaving staat. Van den Brand zegt alleen maar dat een mens, ook al heeft deze een laag beschavingsgraad, met hetzelfde recht behandeld moet worden als de Europeaan. De betekenis van de koelie berust dus ook bij Van den Brand op een mythe. De misstanden op de plantage liggen bij hem onder zwaar vuur, maar hij gaat wel mee in de tijd van het ethische imperialisme. De Javaan heeft een lagere beschavingsgraad en het geloof hierin vormt een rechtvaardiging van het kolonialisme.

Rhemrev beschrijft hoe de situatie op de plantage ontstaan is. Hij laat ons zien dat het niet de normale gang van zaken is. Voor rechters is het een sleur geworden aanklachten van koelies naast zich neer te leggen. “Sommige administrateurs, ja zelfs hoofd-administrateurs beweren dat men van de koelies, vooral van de chineesche, zonder klappen of tikken met den stok, niets gedaan krijgt en dat zij zonder slaan niet te regeeren zou zijn (Rhemrev, 1903, p. 173).” De toon van deze regel geeft aan dat Rhemrev het volstrekt niet eens is met de gedachte van de planter. Deze laatste acht het slaan noodzakelijk, maar Rhemrev beweert het tegenovergestelde. Hij keurt het dermate af door te zeggen dat het een averechts effect heeft. Slaan leidt alleen maar tot erger. Hij gaat nog verder in zijn rapport door de Javaan een nieuwe betekenis te geven. De Javaan heeft door de imperialist mythische proporties gekregen. Doordat de Europeaan niet in staat is de Javaan werkelijk voor te stellen, heeft de eerste de laatste geïdentificeerd in termen van kleinburgerlijkheid, een betekenis die niet op de werkelijkheid berust, kortom mythisch is. De officier van justitie stapt af van deze betekenis door uit te leggen hoe veel leed de goedbedoelde Javaanse koelie heeft ondergaan van de gewelddadigheden.

Culturele herinnering
De bewustwording van een schandaal is een goed voorbeeld om reconstrueren hoe er mythen in de geschiedenis sluipen. Het besef van een historie is leerzaam, maar hoe kunnen we het echt begrijpen? Er wordt hier geen rooskleurig beeld geschetst van het moderne imperialisme. Het koelieschandaal kent traumatische gebeurtenissen. Het is een geschiedenis waarin we de mythe herkennen, beelden die door de jaren heen, vooral na de dekolonisatie, een andere betekenis hebben gekregen. Het imperialisme bevatten is naar mijn idee mogelijk wanneer we ons echt kunnen inleven in een imperialist; een figuur uit de geschiedenis.

Helaas zijn de boeken over de plantagesamenleving op Sumatra ten tijde van het moderne imperialisme, zowel romans als de andere documenten, niet meer in ons geheugen aanwezig als gedenksteen. Waaraan denk je als iemand over Indische boeken spreekt? Niet aan Apie Prins of Madelon Székely-Lulofs. Waarschijnlijker zijn namen van auteurs als Louis Couperus of Hella S. Haasse. Schrijvers die ons terug brengen naar een niet meer bestaande wereld, maar ook naar de Indische wereld van Java. Het eiland waar het Nederlandse gezag meer aanwezig was en waar de Nederlandse burgers in groten getale aanwezige waren. De cultuur was vernederlandst. De stille kracht of Heren van de thee, verhalen die menig een is bijgebleven, herinneren ons niet de ruwe planterswereld. Het zijn wel de schrijvers die ons een culturele herinnering geven door de historie die ze vastgeleggen in verhalen. Verschillende Indische verhalen nemen ons mee naar de tijd van Apie en de tijd van ‘de miljoenen uit Deli’. Voor dat deze herinneringen worden belicht en naast de meetlat van de mythe en de eerder onderzochte geschiedenis worden gelegd, is het interessant uit te leggen wat er nu precies bedoeld wordt met culturele herinnering.

Nederland heeft als land als het ware een collectieve herinnering gecreëerd aan het koloniale tijdperk, de periode dat Indonesië Nederlands-Indië heette. Dit geheugen ontstaat door een sociaal en historisch proces waarbij we ons laten leiden door verhalen en reflectie (Halbwachs). Cultuurwetenschapper Ann Rigney borduurt verder op deze theorie met de ‘cultural memory’. Een roman is belangrijk om ons een tegenherinnering te geven aan de geschiedenis. De “history of the inside” is de geschiedenis van de burger, niet die van de historicus. Een schrijver kan een alternatief kanaal bieden voor herinneringen die niet aan bod komen in de geïnstitutionaliseerde discoursen als de geschiedschrijving of de journalistiek (Rigney, 2001). De roman is geschikt als vorm om de niet officiële geschiedschrijving aan het licht te brengen. En dit houdt ook in de verborgen en verdrongen herinnering tot leven te brengen. Om dit verhaal kracht te geven is het zinvol ook aan Martha Nussbaum te denken. In september 2010 stond er een inspirerend interview ‘kunst leert ons kritisch denken’ met haar in Hollands Diep. Ze herinnert ons aan haar artikel uit de jaren negentig waarin ze het belang van het inleven in andere mensen (door middel van boeken lezen) als groot goed betoogt. Is er ruimte voor een kritische houding? Kunnen we ons inleven, compassie ontwikkelen en daardoor een betere mening over de koloniale tijd ontwikkelen? Ze introduceert hier begrip wereldburger. Wanneer we over de geschiedenis leren is het des te belangrijk ook naar de verhalen van schrijvers te luisteren. Om weer even terug te gaan naar de culturele herinnering aan Nederlands-Indië wordt deze passage afgesloten met een helder standpunt van de literatuurwetenschapper Said: “De toeëigening van de geschiedenis, het verleden tot geschiedenis maken en de samenleving tot een verhaal, dit alles draagt bij aan de kracht van de roman, zij behelzen de accumulatie en differentiatie van de maatschappelijke speelruimte, ruimte die voor maatschappelijke doeleinden moet worden aangewend (Said, 1994, p. 113).”

Onbekend Deli
De Nederlandse burger maakte in de jaren dertig kennis met het plantageleven op Sumatra. De wereld waar veel vrijbuiters naar toetrokken, werd omschreven door Madelon Székely-Lulofs. Een schrijfster die zelf in Deli leefde met haar eerste man, een Hongaarse planter. Boeken die toen ongekend populair werden, het debuut Rubber werd zelfs verfilmd in 1936. Het was geen geheim dat de schrijfster zich recalcitrant opstelde tegenover de decadente Europese mannen op Deli, maar hebben haar romans een ‘countermemory’ gegeven?

Székely-Lulofs neemt ons mee naar een Amerikaanse rubberplantage. Als lezer wordt je meegenomen in het leven van verschillende figuren die het leven in Europa hebben ingeruild voor de zinderende hitte op Deli. Het zijn vooral nieuwkomers Marian en Frank Versteegh die de voor hen vreemde wereld waarnemen. Voor het nuchtere Hollandse stel gaan de uitbundige feesten waar de champagne rijk vloeit wel erg ver. Ze voelen zich niet erg thuis in de wereld waar het materialisme in overtreffende trap aanwezig is. Overdrijving en herhaling is een stijlfiguur dat ingezet wordt om de decadentheid van sociëteit weer te geven. De anonieme verteller in de roman neemt alle ruimte de dronkenlappen te becommentariëren, maar ook Frank zelf wordt toegesproken: “Wat hij niét wist, dat was, dat hij nérgens meer een gehéél eigen plaats zou hebben; dat hij tot géén land, géén volk óóit meer gehéél zou behooren….(Székely-Lulofs, 1959, p. 207)” Wanneer de lezer de stemmen van verteller en hoofdpersonages afweegt spreekt hieruit een kritiek op de ethiek van het kolonialisme.

Maar heeft het boek bijgedragen aan kennis over deze wereld? Dat betwijfel ik. De burger kan namelijk niet voluit kritisch zijn over het gedrag van de planter (hooguit op de decadentie). De verteller becommentarieert de personages die zich laagdunkend uitlaten tegen het Aziatische ras. “Of meenden zij, dat zóó nu eenmaal het blanke ras is, dat zich hooger en beter vindt dan wélk gekleurd ook?…. (Székely-Lulofs, 1959, p. 273)” Maar tegelijkertijd wordt de uitspraak van Said – de schrijver is zelf ook imperialist – bevestigd. De mythe van het imperialisme wordt niet doorbroken omdat er onvoldoende ruimte is een ethisch oordeel te vellen over het kolonialisme. De koelie wordt in Rubber al, maar met name in Koelie dat een jaar later verscheen, als de Ander geïdentificeerd. “Contractanten waren ze…. de onwetende raderen in het millioenen-raderwerk van een wereldmachine, millioenen malen grooter dan zij zelven…. (Székely-Lulofs, 1959, p. 121)” De rubbertappers, werklui op de plantages, vormen een radertje en gaan op in het landschap. Deze beeldende beschrijvingen van het plattelandse Sumatra blijven bij, omschrijvingen waar Deli een onheilspellend karakter krijgt, zelfs letterlijk een karakter wordt. Maar het imperialisme zelf blijft als mythe overeind door de kleinburgerlijkheid waarmee de verteller en personages de Aziaat waarnemen.

‘Ons Indië’
Het koelieschandaal en de plantages van Deli geven wel een ander beeld dan het bekende ‘tempo-doeloe’ begrip. Veruit de meeste Nederlands hebben herinneringen aan Java waar het Nederlandse gezag gold. In september 2009 gaf Thom Hoffman een oratie ter afsluiting van de masterclass Nederlands-Indië, een verborgen geschiedenis. Hoffman: “Een oude mevrouw vroeg me: ‘Maar Hella Haasse dan, de Heren van de thee, is dat niet waar? (Hoffman, 2009)’” Na de oratie bleek nog eens dat de ‘tempo-doeloe’ gevoelens van voormalig Indië-bewoners erg sterk waren. “Deze groep realiseert zich niet hoe groot Indië was, gek genoeg, en dat er meerder realiteiten naast elkaar bestonden”, geeft Hoffman aan na zijn redevoering. Met name het koelieschandaal kreeg hier aandacht. Maar ook andere vormen van racisme die kenmerkend waren voor de Nederlands-Indische periode. De herinnering van Haasse wijkt ver af dan de herinnering tot nu toe besproken. Met name omdat deze – en niet alleen deze, maar ook de herinneringen van een literair Couperus – teruggaan naar Java, het sterk vernederlandste eiland ten tijde van de kolonisatie.
De oude mevrouw van hierboven laat ons denken dat Heren van de thee een herinnering is aan het mooie Nederlands-Indië en anders is dan de verhalen over racisme, de verhalen over het koelieschandaal. Maar het tegengestelde is waar! Juist deze roman is in staat de situatie van toen begrijpelijk te maken: het imperialisme is geen theoretisch verhaal meer of mythe, maar heeft zich voorgedaan in de vorm van personages. Hoe is een romanschrijver daartoe in staat? En wat doet Haasse anders met de mythe dan een historicus of journalist?

Er is een mythe in de geschiedschrijving. Een historicus kan deze in de loop der jaren verbreken door ons een nieuwe werkelijkheid te verschaffen. Filosoof Frank Ankersmit zegt dat we moeten vergeten, het trauma moet verwerkt zijn; in dit geval het verlies van een land en identiteit. Maar het is zeker ook de literaire waarde die telt wanneer ik beweer dat Haasse met Heren van de thee een mythe doorbreekt. Waar bijvoorbeeld Rhemrev, maar vooral postkoloniale onderzoekers ons een schokkend beeld van de werkelijkheid geven, laat Haasse ons begrijpen hoe het was een kolonialist te zijn.

Literaire ervaring
Heren van de thee is een historische roman. Om deze reden wordt duidelijk dat de schrijfster een ‘framework’ heeft ingezet om het verhaal te vertellen. Verschillende visies en gebeurtenissen rond 1870 komen aan het licht door middel van de personages, de verteller en de documenten die ter sprake komen. Rudolf is een kind van zijn tijd en dat maakt Heren van de thee zo waardevol. Tegenherinnering betekent namelijk niet ‘tegen-de-draad’, maar een nieuw licht op de officiële geschiedschrijving.

Haasse’s roman vertelt over het pachten van een theeplantage eind negentiende eeuw. De pas afgestudeerde Rudolf vertrekt naar Java, zijn vader en ooms achterna. Zijn geduld wordt op de proef gesteld, want het blijkt niet eenvoudig te zijn eigenaar te worden van een stuk land. Het levensverhaal van Rudolf en zijn familie kan in een historische context geplaatst worden. De eerste tekenen van ethische politiek (Max Havelaar) zijn zichtbaar en het nationalisme begint vorm te krijgen.

In Heren van de thee is het voor de lezer ingewikkeld een ethisch oordeel te vellen. Een oordeel van de lezer is persoonlijk, maar ligt voor een deel ook in de tekst. De lezer verschillende stemmen afwegen en een oordeel vellen over de hoofdpersoon en de ethiek van de roman. Er blijft een afstand tussen de verteller en de hoofdpersoon. Dit komt omdat de verteller niet dramatiseert, op de achtergrond blijft door alleen indirect te vertellen over de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon. De lezer neemt het grootste gedeelte waar door de ogen van Rudolf, maar de lezer moet daarnaast stemmen van andere personages afwegen die kritiek op hem uiten. De ingelaste vertellingen die door middel van brieven worden gegeven, zijn voor de lezer een extra handvat om een oordeel te vormen. Rudolf toont enerzijds doorzettingsvermogen. En hij probeert op zich aan te passen aan het land. Lees bijvoorbeeld de volgende omschrijving die de verteller geeft: “Behalve de baard van een wijze, droeg hij nu altijd, ook binnenshuis, een hoofddeksel. Hij at geen varkensvlees en dronk geen alcohol. Hij nam de gebruiken in acht waaraan de mensen die op Gamboeng leefden, gewend waren.(Haasse, 2008, p. 286)” De lezer wordt voortdurend aan het denken gezet door de goede bedoelingen van Rudolf. Hij zet zich af tegen de gelukszoekers, die hebben geen passie voor het pachten van een land. Maar aan de andere kant maakt hij fouten: Rudolf voelt niet aan dat Indië niet zijn land is. Ook heeft hij geen oog voor Jenny’s somberheid. De kritiek op Rudolf wordt geuit door andere personages. Zijn ene oom is één geworden met de religieuze kant van Indonesië en zijn andere oom hangt een wetenschappelijke benadering van het planten aan.

Door de kritiek is aannemelijk Rudolf als anders te ervaren. De mythe van het imperialisme blijft overeind in de belichaming van het hoofdpersonage. Rudolf is geen echte dwarsligger. Hij wil zich aanpassen aan de cultuur op Java, maar blijft in de natuur van de mythe vastzitten door de Aziaat als anders te identificeren. Deze krijgt dan ook nauwelijks een rol in het verhaal. Maar toch gebeurt er naar mijn idee iets belangrijks met de mythe. Rudolf verwerft een soort heldenstatus. Niet om zijn ethiek, maar om zijn tegenslagen en doorzettingsvermogen. Het leven van de hoofdpersoon is getekend door rampspoed, hij gaat aan zijn eigen fouten ten onder. Hierdoor ontwikkel je een compassie voor de theeplanter. De mythe waarin Rudolf leeft staat wankel, dat merk je aan zijn omgeving.
Het is aan de complexiteit van Heren van de thee te danken dat we een genuanceerder beeld leren kennen van de burger in imperialistische fase van de geschiedenis. Het is een minder fel oordeel dan het oordeel dat Hoffman bij zijn oratie stelde. En dat heeft te maken dat de gastleraar zich graag schaarde aan de kant van advocaat Van den Brand die het koelieschandaal aan het licht bracht en socioloog Breman die zijn bevindingen hierover in de jaren tachtig in een boek verwerkte. De romanschrijver vormt een toegevoegde waarde in onze herinnering omdat die ons kan laten begrijpen hoe het was een kolonialist te zijn. En niet de mythe meteen onderuit te halen, maar de lezer aan het denken te zetten over een mythisch verleden. Rudolf was een imperialist, maar ook een integere man. Dat leidt tot discussie en brengt de juiste nuance in onze blik op het verleden. Overgangen naar nieuwe tijden vergen veranderingen in de mens; er moeten mythen doorbroken worden. We zullen de kunst nodig hebben om dit werkelijk te begrijpen.

Bronnen
Barthes, R. (1975). Mythologieën. Amsterdam: Arbeiderspers.
Brand van den, J. (1902). De miljoenen uit Deli.  In Breman, J., Koelies, planters en koloniale politiek (p. 234-315). Dordrecht: Foris Publications.
Breman, J. (1987). Koelies, planters en koloniale politiek: Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra’s oostkust in het begin van de twintigste eeuw. Dordrecht: Foris Publications.
Dirks B., D. (1995). Colonialism and Culture. In Bill, A., Griffiths, G., Tiffin, H. (red.), Post-colonial studies reader (p. 57-61). Londen: Routledge.
Haasse S., H. (2008). Heren van de thee. Amsterdam, Antwerpen: EM. Querido Uitgeverij BV Halbwachs, M. (1991). Het collectief geheugen. Amersfoort, Leuven: Acco
Nussbaum C., M. (1999). Cultivating Humanity: a classical defense of reform in liberal education. Diacritics: a review of contemporary criticism, 29(2), 3-17.
Rhemrev, J.L.T. (1903). Rapport: van de resultaten van het mij bij Gouvernements besluit van 24 mei 1903 No. 19 opgedragen onderzoek. In Breman, J., Koelies, planters en koloniale politiek (p. 315-408). Dordrecht: Foris Publications.
Rigney, A. (2001). Literatuur als herdenking. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap aan de faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam op 9 maart 2001. Amsterdam: Vrije Universiteit.
Rigney, A. (2006). Portable Monuments: Literature, Cultural Memory, and the Case of Jeanie Deans. Poetics Today: theory & analysis of literature & communication, 25, 361-396.
Prins, A. (1958). Ik ga m’n eige baan. Amsterdam: De Bezige Bij.
Said, E.W. (1978). Orientalism. Londen: Routledge and Kegan Paul.
Said, E.W. (1994). Cultuur & Imperialisme. Amsterdam: Atlas.
Stapel, F.W. (1940). Geschiedenis van Nederlandsch Indië: Deel 5. Amsterdam: Joost van den Vondel.
Székely-Lulofs, M. H. (1959). Rubber. Amsterdam: Querido.
Wesseling, (H.L.) (2003). Europa’s koloniale eeuw. Amsterdam: Bakker.

Advertenties
Posted in: Cultuur